Gesprek over Oerol-voorstelling met Joeri Vos en Bastiaan Woltjer (deel 2)

 

Vandaag het vervolg van het gesprek tussen regisseur Joeri Vos en componist Bastiaan Woltjer over de voorstelling Buzz Aldrin, waar ben je gebleven?

J: Hoe ben je te werk gegaan bij het schrijven van de muziek?

B: Voor mij schept de muziek de sfeer van Noorwegen en de Faeröer; de cultuur, de mensen, het landschap. De muziek geeft aan waar je bent. Die kale, verlaten sfeer bereiken we dus niet alleen omdat de voorstelling zich op Terschelling afspeelt, waar het waait en regent, maar die sfeer zit ook in de muziek. Bovendien schept de muziek een tijdsbeeld, geïnspireerd op de roman. Het boek speelt zich grotendeels af tijdens de jaren negentig. Voordat ik begon met componeren heb ik daarom veel naar bands geluisterd uit Noorwegen en IJsland. In die landen heerst een hele rijke muziekcultuur. Ik heb bijvoorbeeld naar artiesten als Björk en Sigur Rós geluisterd, maar ook naar Jaga Jazzist, een Noorse band met blazers, en naar Kári P, dat is een echte Faeröerartiest. Op de klanken van deze muziek heb ik gitarist Rafael Vanoli uitgezocht. Hij is een meester in het zoeken naar klanken,  bespeeld zijn elektrische gitaar op vele manieren en is een tovenaar met effect pedalen. Daarnaast speelt multi-instrumentalist Sjoerd de Roij mee op saxofoon en bas en zingen en drummen acteurs ook mee.
Meestal schrijf ik muziek voor intieme voorstellingen met klassieke blazers of een zangeres. Bij Buzz Aldrin werk ik meer vanuit een band-opzet aangevuld met blazers en elektronica. Er komen verstilde songs en klanklandschappen in voor, maar deze voorstelling nodigt ook uit tot een veel rauwere sound dan de muziek die ik normaal schrijf: het distortion-pedaal gaat aan, het slagwerk gaat los en er mag lekker wat galm over mijn trombone. Dat is een leuk avontuur.

J: Wat viel jou op aan het boek toen je het voor het eerst las?

B: De eerste keer heb ik het gelezen gewoon zoals ik ieder ander boek zou lezen, zonder opdracht. Ik kon me wel verplaatsen in dat willen verdwijnen, je af en toe helemaal willen afsluiten, maar dat dat niet kan. Daar herken ik wel iets in. Er is geen ontsnappen aan, je moet altijd toch weer terug, de wereld in. Dat is iets wat me wel heeft geraakt bij het lezen van het boek. Mattias wil graag zijn hele leven de tweede zijn; maar ik vraag me nog steeds af of hij het graag zo wil, of dat hij niet de eerste durft te zijn. Ik heb zelf meer dat ik het wel wil maar niet durf. Ik durfde bijvoorbeeld nooit naar het conservatorium, totdat iemand zei ‘ga eens naar de vooropleiding’. Ik dacht dat ik daar niet goed genoeg voor was.
De tweede keer dat ik het boek las ben ik met veel plezier alle verwijzingen gaan uitpluizen. Harstad verwijst in het boek namelijk veelvuldig naar nieuwsgebeurtenissen, films, series en vooral naar heel veel muziek uit de jaren negentig. In de tijd dat ik puber was. Ik ben bijvoorbeeld weer naar REM gaan luisteren waar ik als tiener heel erg fan van was, wat ik als twintiger verschrikkelijk vond, maar wat ik nu weer mooi vind. Ook heb ik op een avond integraal naar alle albums van the Cardigans geluisterd.
Al die verwijzingen hangen, samen met stukjes tekst uit de Engelse vertaling, thuis boven mijn piano. Deze heb ik muzikaal en tekstueel eens flink door elkaar geschud. Dat is terug te horen in een aantal nummers uit de voorstelling. Zo zijn Michael Jackson en Peer Gynt samen een Starwars film binnengelopen, en hebben teksten van the Cardigans en Motorpsycho een andere melodie gekregen.

B: Weet jij nog wat je er van vond toen je het boek de eerste keer las?

J: Toen ik het de eerste keer las had ik het gevoel dat iemand me had getroost en ik wist van te voren niet eens dat ik verdrietig was. Terwijl ik het boek las moest ik geloof ik vooral vaak lachen, maar aan het einde… Aan het einde wordt ook het verhaal van Srebrenica verteld en ik had daar natuurlijk al van alles over gelezen, het nieuws gezien, politici over gehoord… maar ik was er geloof ik nog nooit eerder écht verdrietig van geworden… Ik moet nu trouwens denken aan wat ik ook een mooi moment in het boek vind, dat is wanneer Mattias ingestort is, en al weken in zijn bed in de inrichting op de Faeröer ligt, niet wil praten en eten, en dan voor de eerste keer naar beneden komt. Dan staan de andere bewoners beneden tomaten te snijden en krijgt hij een kopje soep… Dat is toch troost? Niet iemand die zegt dat alles goed komt en de wereld mooi is, want dat is niet zo, maar wel iemand die een arm om je heen slaat en zegt: “hé joh, hier heb je wat te drinken.”

Lees ook:Gesprek over Oerol-voorstelling met Joeri Vos en Bastiaan Woltjer (deel 1)
Lees ook:Anne Wil Blankers op toneel met De grote zaal
Lees ook:Schuif aan bij Sabri Saad El Hamus en Abdelkader Benali
Lees ook:NNT speelt Paulo Coelho’s 11 minuten
Lees ook:Oerol verkozen tot leukste uitje

Geen reacties // Reageer

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naam

Website

Het kan vijf minuten duren voordat nieuwe reacties zichtbaar zijn.

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>